Gezegend

Overweging bij Matteüs 5,1-10, uitgesproken in het Bronmoment van zaterdag 05 september 2026

Matteüs 5, 1-10

Overweging

Een vreemde tekstkeuze?

Een beetje vreemd misschien. We spreken van de zaligsprekingen, maar hebben niet één keer het woord zalig gehoord. Dat hoeft ons echter niet te verwonderen. De Willibrordvertaling van 1981 spreekt van zalig. Ook de herziene Naardense Bijbelvertaling van 2014 spreekt van zalig. De NBV21 gebruikt het woord gelukkig. In de Duitse Gute Nachricht Bibel klinkt het Wer sich freuen darf, wie zich verheugen mag. In de Franse vertaling Parole de Vie van 2017 begint het telkens met Ils sont heureux qui …, gelukkig zijn zij die …Die laatste vertaling sluit dicht aan bij de NBV21. Andere (protestantse) vertalingen gebruiken het woord gezegend. Voilà, zo simpel is het. Gezegend wie … We zijn waar we moeten zijn, bij zegenen. Maar wat wil dit eigenlijk zeggen, gezegend zijn? Gezegend met jaren, gezegend met kinderen, gezegend met gezondheid, noem maar op. Maar is dat altijd iets dat ons in de schoot valt, iets wat ons “toekomt”, of omvat het toch wat meer?

Zegen

In zijn boek Een parel in Gods ogen geeft Henri Nouwen aan dat we allemaal elkaars zegen nodig hebben. Over wat hij met zegenen bedoelt, schrijft de auteur het volgende.

Het Latijnse woord voor zegenen is benedicere. Letterlijk betekent het: goed (bene) spreken (dicere) van iemand, of: goede dingen zeggen over iemand. Dat spreekt me aan. Ik heb er behoefte aan om goede dingen over mijzelf te horen en jij hebt ongetwijfeld dezelfde behoefte. Tegenwoordig heet het dat we elkaar moeten ‘bevestigen’, want zonder bevestiging kun je niet goed leven. Welnu, iemand zegenen is de indringendste manier van iemand bevestigen. Zegenen is meer dan een uiting van waardering of bewonderen, meer dan de vinger leggen op iemands talenten of goede daden, meer dan iemand in het zonnetje zetten. Zegenen is bevestigen, onderstrepen dat iemand een Geliefde is. Sterker nog, door te zegenen scheppen we de werkelijkheid die we in de zegening uitspreken. Onze wereld is vol bewondering enerzijds en afgunst en veroordeling anderzijds. Een zegen overstijgt het onderscheid tussen bewondering en afkeuring, tussen deugd en ondeugd, tussen goede werken en slechte daden. Een zegen raakt aan de oorspronkelijke goedheid van de ander en brengt tot uitdrukking: deze persoon is een Geliefde.[1]

Enkele pagina’s verder klinkt het nog sterker.

Een zegen is de meest fundamentele bevestiging van wie we zijn. Het is niet voldoende om uitverkoren te zijn. We hebben ook telkens weer de zegen nodig die ons altijd op nieuwe wijze laat horen dat wij het voorwerp van Gods oneindige liefde zijn, dat Hij ons nooit alleen zal laten maar ons bij elke stap die we zetten, omringt met zijn liefde.[2]

Op de vraag hoe we deze zegen kunnen horen en beamen, antwoordt Henri Nouwen.

Als de zegen niet slechts een gevoel is, maar een waarheid die ons dagelijkse leven bepaalt, dan moeten we hem op een ondubbelzinnige wijze kunnen zien en ervaren. Het antwoord is tweeledig en heeft te maken met gebed en een besef van aanwezigheid.[3]

Waarbij het gebed dan een manier is van luisteren naar de zegen, een manier om Gods aanwezigheid toe te laten in de stilte. En waarbij het besef van aanwezigheid een houding vraagt van aandacht voor de zegeningen die elke dag tot ons komen. Kiezen voor de zegen is daarbij geen eenmalige keuze, aldus Nouwen, maar een keuze die we telkens opnieuw moeten maken, van dag tot dag.[4]

Op het einde van zijn gedachten over zegenen wil Henri Nouwen nog één ding benadrukken.

Wie zich openstelt voor de zegen die tot hem komt, zal altijd een verlangen krijgen om anderen te zegenen. Het kenmerk van gezegenden is dat zij, overal en altijd, woorden van zegen spreken. Wanneer je eenmaal beseft dat je zelf een gezegende bent, is het verrassend eenvoudig om anderen te zegenen, goede dingen over anderen te zeggen, hun schoonheid en hun waardigheid te onderstrepen. Wie gezegend is, zegent altijd. … Niemand komt tot leven door roddel, beschuldigingen, aantijgingen en vervloekingen. … Daarentegen spreken de ‘gezegenden’ woorden van zegen. Dat kost nauwelijks inspanning. Het komt vanzelf uit ons hart. Wanneer we diep in onszelf de stem horen die ons bij onze namen roept en ons zegent, leidt de duisternis ons niet langer om de tuin. De stem die ons geliefden noemt, zal ons woorden geven om anderen te zegenen en duidelijk te maken dat zij niet minder gezegend zijn dan wij.[5]

Laat het goed op je inwerken:

  • iemand zegenen is de indringendste manier van iemand bevestigen;
  • door te zegenen scheppen we de werkelijkheid die we in de zegening uitspreken;
  • We hebben ook telkens weer de zegen nodig die ons altijd op nieuwe wijze laat horen dat God ons nooit alleen zal laten maar ons bij elke stap die we zetten, omringt met zijn liefde;
  • Wie gezegend is, zegent altijd.

En nu wij

Het boek, waaruit ik uitvoerig heb geciteerd, heeft Henri Nouwen geschreven in de stijl van een persoonlijke brief aan zijn vriend Fred en diens vriendenkring. Het is dan ook niet toevallig dat Nouwens gedachten zich richten op het persoonlijk geliefd en gezegend zijn.

Toen we het bronmoment voorbereidden, stonden we – ik zou durven zeggen uiteraard – stil bij wat zegenen inhoudt voor ons persoonlijk, maar ook voor ons als groep, als gemeenschap. En gelukkig, het is zeker niet tegengesteld aan wat Henri Nouwen schreef.

Eerst en vooral is het belangrijk te benadrukken dat we niet enkel en alleen, en zeker niet in de eerste plaats, een gemeenschap vormen voor onszelf, of omdat we het plezant vinden. De grond van onze gemeenschap is de boodschap van Jezus van Nazareth, nl. dat het Rijk Gods midden onder ons is. De bergrede bij Matteüs, waarvan we de eerste verzen hebben gehoord, is bedoeld als een programmatorische rede, bijna als een beleidsverklaring. Als de nieuwe Mozes verkondigt Jezus wat zijn koninkrijk, het Rijk Gods, inhoudt. Het is een hoopvolle boodschap, want ondanks miserie en ellende, wordt iedere toehoorder gezegend, bevestigd in wat hij/zij doet. Er worden goede dingen gezegd over hen die treuren, die uitkijken naar gerechtigheid, enz.

Vervolgens, als we iemand een gezegend nieuw levensjaar toewensen, wensen we de zegen uiteraard in de eerste plaats toe aan de jarige zelf. Maar de zegen die de persoon in kwestie ontvangt, straalt ook af op zijn/haar naasten en omgeving. Een uitgesproken zegen heeft dus ook een uitwerking op de omgeving. Je zou kunnen spreken van een positief vlindereffect. Of, om de woorden van Henri Nouwen te gebruiken, bij de gezegende ontstaat het verlangen om anderen te zegenen. Hieruit vloeit als het ware uit voort dat gezegend worden ook een opdracht inhoudt. Het goede gebeurt niet vanzelf. We moeten ons hiervoor inspannen. Ook in de bergrede geeft Matteüs duidelijk aan dat het Rijk Gods niet vanzelf komt. Het is soms afzien, ploeteren. Het leunt aan bij het tweede deel van de houding die Ignatius van Loyola eigen was: Bid alsof alles van God afhangt, en werk alsof alles van jou afhangt.

Het werk dat we doen, de opdracht die we uitvoeren, vloeit voort uit de belofte dat het van God afhangt. Het eerste deel van de verwoorde houding van Ignatius geeft aan dat zegenen evenzeer een geloofsbelijdenis is. We hebben God nodig om zijn Rijk te realiseren. Een zegen houdt de belofte in dat het goed komt. Door te zegenen ritualiseren we ons geloof dat het goed komt, ondanks. Door te zegenen geven we ook onze zorgen en lasten uit handen. Het is een loslaten, het niet krampachtig vasthouden aan het idee dat we alles zelf moeten en kunnen doen. We mogen op elkaar een beroep doen. We mogen op elkaar en op God steunen.

Een belijdenis en een belofte

Harrold Schorren, predikant in Rotterdam vat het als volgt samen.

De zegen is geen toverspreuk, maar veeleer een belijdenis en een belofte. Ga met God! Het leven wordt in een ander perspectief gezet. Ook wanneer ongeluk, pijn of verdriet je treffen. Waar zijn Naam klinkt, verheft de Liefde zijn stem en anderen zullen je dragen. Dat is zegen.[6]


[1] Henri Nouwen, Een parel in Gods ogen. Gedachten over de betekenis van een mensenleven, Tielt (uitg. Lannoo), 2005, 23ste druk, pp. 55-56

[2] Ibidem, p. 58

[3] Ibidem, pp. 61-62

[4] cf. Ibidem, pp. 65-68

[5] Ibidem, p. 68

[6] Harrold Schorren, Ga met God, https://www.theologie.nl/ga-met-god/, geraadpleegd op za 15 aug 2026