Overweging bij Matteus 3, 13-17, uitgesproken in het Bronmoment van zaterdag 09 januari 2026.
Matteüs 3, 13-17
[13] Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. [14] Johannes probeerde Hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door U gedoopt moeten worden, en dan komt U naar mij?’ [15] Maar Jezus antwoordde: ‘Toch moet je het doen, want zo dienen wij de gerechtigheid geheel en al tot vervulling te brengen.’ Toen deed Johannes het. [16] Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor Hem en zag Hij hoe de Geest van God als een duif op Hem neerdaalde. [17] En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde.’
Overweging
Het verhaal van de doop vinden we terug bij de vier canonieke evangelisten. Ook in apocriefe evangeliën wordt verhaald over de doop van Jezus. Dopen neemt reeds in het prille christendom een centrale plaats in, zoveel is duidelijk. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand. Marcus besteedt wel geteld drie verzen aan de doop (Marcus 1, 9-11). Lucas, geïnspireerd door Marcus en de Quelle, een verondersteld gemeenschappelijke bron voor Lucas en Matteüs, doet niet beter: drie verzen (cf. Lc 3, 16.21-23). Matteüs besteedt er vijf verzen aan (Mt 3, 13-17). En Johannes, in zijn eigen stijl, spant de kroon met zes verzen (Joh 1, 29-34). Hoe kan het, dat een op het eerste zicht een belangrijk gebeuren, maar zo weinig aandacht krijgt? De evangelisten waren er zich van bewust dat dit gegeven niet onvermeld kon blijven, maar toch deinzen ze er blijkbaar voor terug om hierover uitvoerig te schrijven.
Om het verhaal goed te begrijpen moeten we kijken naar wat voorafgaat aan de doop van Jezus en wat er op volgt. De doop staat niet op zichzelf. Bij het begin van Jezus’ openbaar leven, is Johannes reeds aan het prediken. Hij roept de mensen op om tot inkeer te komen, aldus Lucas. En wees maar zeker, schrijft Matteüs, Johannes had succes: de mensen stroomden toe en lieten zich massaal dopen in de Jordaan. Moet je dat nu zien. En dan komt de ontmoeting tussen Johannes en Jezus. Johannes doopt Jezus. Het lijkt niet van harte. Na zijn doop trekt Jezus zich quasi onmiddellijk terug in de woestijn. Wil Jezus gaan leven zoals Johannes?
Liturgisch overspannen we met deze drie tekstfragmenten een periode van enkele maanden. De prediking wordt verteld in de viering van de tweede adventszondag van het Matteüsjaar. De doop in de eerste helft van januari én de vasten van Jezus bij het begin van de veertigdagentijd. Terwijl in de evangeliën deze drie tekstfragmenten mooi op elkaar aansluiten.
Verschillende auteurs uit de 20ste en 21ste eeuw wijzen op het groot verschil tussen Johannes en Jezus. Voorafgaand aan de doop van Jezus horen we Johannes bulderen. Zijn donderpreken zullen wel angst en schrik ingeboezemd hebben. Bij Matteüs is het adderengebroed gericht aan de farizeeën, sadduceeën en schriftgeleerden. Bij Lucas mogen ook de andere mensen zich aangesproken weten als adderengebroed. Johannes ging gekleed in een kamelenkleed. Zijn maaltijd bestond uit niet meer dan sprinkhanen en wilde honing. Niet bepaald een aantrekkelijke figuur, als je het mij vraagt. Hoe anders is het bij Jezus. Jezus houdt van feesten, hij spreekt van de barmhartigheid van God, Hij geneest en brengt leven waar uitzichtloosheid overheerst. I.p.v. de gewone man en vrouw uit te schelden als adderengebroed, gaat hij om met zondaars en tollenaars. Zijn leerlingen vasten niet, in tegenstelling tot die van Johannes. Het verschil tussen Johannes en Jezus kan niet groter zijn. De conclusie is dan ook dat Jezus zich oorspronkelijk had aangesloten bij de beweging van Johannes. Maar na lang wikken en wegen – het is niet toevallig dat het verhaal van de veertigdaagse vasten van Jezus in de woestijn bij de synoptici (quasi) onmiddellijk volgt op de doop – komt Jezus tot het inzicht dat de weg van Johannes niet aan hem besteed is, en niet de weg van de waarheid en het leven. En aldus groeien hun wegen uit elkaar. Op de keper beschouwd zou je Johannes kunnen zien als een vertegenwoordiger van het Torah-denken, de Wet. Terwijl Jezus, die de Wet niet afschaft maar verdiept, meer de man is van genade, barmhartigheid en liefde van God. Om de tegenstelling tussen Jezus en Johannes niet uit te werken tot een breuk, moet al snel het idee dat Johannes voorloper was van Jezus de bovenhand hebben gehad. Geen breuk, maar een evolutie.
De schroom van de evangelisten om te verhalen over de doop van Jezus heeft misschien ook te maken met het mysterie en het zijn van God. Jezus is niet te beroerd om zich te laten dopen, om zich klein te maken. Hij voelt zich niet beter dan de andere mensen, die zich laten dopen. Maar op het moment dat Jezus zich terug opricht, wordt duidelijk dat Jezus niet zo maar een mens is, maar zo sterk verbonden is met God dat hij God ís geworden – het woord geworden is voor mij hier essentieel, want Jezus was 100% mens en juist daardoor is Hij God geworden. Jezus raakt volledig doordrongen van de Heilige Geest. Dit is helemaal geen engelachtig wezen dat God vanuit de hemel naar ons toe zendt. Het is Gods eigen wezen dat als een zachte bries door de hele schepping waait, om Jonas Slaats te parafraseren.[1] Jezus is zo doordrongen van de goddelijke geest dat hij als het ware één wordt met het wezen van God.
De stem van JHWH, die zich aan Mozes kenbaar maakte als de Ene die was, die is en die zal zijn, laat zich opnieuw horen om Jezus aan te duiden
- als zijn zoon – een verwijzing naar o.a. Psalm 2
- veelgeliefd – een verwijzing naar Isaak, die niet geofferd mocht worden door Abraham
- in wie hij welbehagen heeft – een verwijzing naar de dienaar van de HEER in Jesaja 42
De typering van Jezus als veelgeliefde zoon van God in wie God welbehagen vindt, is als het ware een kristallisatie van de Joodse Bijbel, met een verwijzing naar de Torah, de profeten én de wijsheid.
Maar dat is niet het enige kristallisatiepunt. We zien ook een voorafspiegeling van de drie-ene God. Nog voor een sprake is van het lijden, sterven en verrijzen van Jezus, leidt de verrijzenis, het zich oprichten van Jezus, naar de goddelijkheid. De God van Abraham, Isaak en Jacob transformeert naar de drie-ene God: Vader, Zoon en Geest.
De doop van Jezus en de stem die klonk uit de hemel, doen me ook denken wat Paulus schrijft aan de christenen van Filippi (Fil 2, 6-11).
Hij, die de gestalte van God had, maakte er geen aanspraak op aan God gelijk te zijn, maar deed afstand van zijn positie en nam de gestalte aan van een dienaar. Hij werd gelijk aan de mensen, en als mens verschenen heeft Hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat ‘Jezus Christus is Heer’.
Hoe summier beschreven ook, Jezus’ doopsel openbaart ons ten volle wat in de hele kerstcyclus aan het licht kwam, en bevat tegelijk zijn hele verdere levensloop. Identiteit en bestemming, roeping en zending, beide polen van Jezus’ mysterie als mens gekomen van Godswege, treden hier krachtig samen op. De toon is gezet: kijk, luister en doe maar wat hij u zeggen zal. Er staat iets groots te gebeuren.
[1] Jonas Slaats, Het ene in het vele. God over religies heen, Antwerpen (Otheo Books), 2025, p. 113
